Toeval bestaat niet. Of toch wel?

Vraag:

Het viel mij op tijdens het lezen van Ruth 2:3, dat er staat: ‘Het toeval wilde dat de akker waar ze kwam van Boaz was’. De HSV vertaald: ‘Zij ging op weg en kwam op de akker van Boaz. Dit overkwam haar’. In ons spraakgebruik zeggen we vaak: Toeval bestaat niet! Het is toch de leiding van de Heer? Waarom staat dat er dan niet?

Reactie:

In de Bijbel wordt wel eens vaker het woord ‘toevallig’ gebruikt. Zelfs Jezus zegt in de gelijkenis van de barmhartige Samaritaan: ‘Toevallig kwam er een priester langs’ (Lukas 10:31). Deze vertaling is correct, net als in Ruth 2:3.

Onder toevallig verstaan wij dat bepaalde dingen tegelijk gebeuren of dat mensen elkaar ontmoeten, zonder dat dit door ons georganiseerd is. Dat geeft verrassing en soms een ongedacht gesprek. In de Bijbel wordt vaak gewone taal gebruikt. Daarom kun je het woord ‘toeval’ zomaar tegenkomen.

Dat achter zulke ‘toevalligheden’ Gods leiding ligt, staat hier niet haaks op. Dat wordt in Ruth 2:20 ook erkend als Noömi de ontmoeting van Ruth en Boaz verbindt aan de trouw van God. Dat wij dingen als toevallig ervaren, betekent niet dat dit voor God ook toevallig is. Soms zien ook wij achteraf dat er sprake is van een bedoeling.

Het gezegde: ‘Toeval bestaat niet’ wordt niet alleen door christenen gebruikt. Mensen drukken ermee uit, dat er altijd een bepaalde oorzaak of wetmatigheid achter gebeurtenissen zitten. Voor christenen heeft het te maken met de leiding van God in het leven. Sommige gelovigen vinden dat je het woord ‘toevallig’ niet mag gebruiken, omdat in zondag 10 (Heidelbergse Catechismus) staat dat alle dingen ‘niet bij toeval, maar uit Gods vaderhand ons ten deel vallen’. Daarbij wordt verwezen naar bijvoorbeeld Spreuken 16:33, waarin staat dat de Heer zelfs de uitkomst van het lot bepaalt.

Maar zoals in de Bijbel over toeval gesproken wordt, zo kunnen wij het ook gebruiken. Als we maar blijven beseffen dat binnen Gods bestuur de dingen nooit compleet toevallig zijn.

Scheen de zon op de dag van de opstanding?

Vraag:

Wat een feestelijke preek met Pasen! Toch heb ik een vraag over de zon op die dag. U zei dat de zon die dag scheen. Maar staat dat zo in de Bijbel? En kunt u ook aangeven waar in de Bijbel de ‘zon’ vaker als beeld van Christus wordt gebruikt?

 Reactie:

Pasen is een ‘hoogfeest’ voor christenen. Je kunt er beter over zingen, dan erover preken. Maar  preken moet ook gebeuren. Ik koos voor mijn preek de invalshoek dat de vrouwen bij het graf aankwamen bij zonsopgang. Dat staat letterlijk in de Bijbel, maar is in de Nieuwe BijbelVertaling niet helemaal duidelijk.

In de NBV staat in Markus 16:2: ‘Op de eerste dag van de week gingen ze heel vroeg in de ochtend, vlak na zonsopgang, naar het graf’. Maar letterlijk staat er: ‘Zeer vroeg op de eerste van de week komen zij aan bij het graf, bij het opgaan van de zon.’ (vertaling Naardense Bijbel).

De zon gaat dus op als de vrouwen bij het graf aankomen. Dit kun je lezen als een zakelijke mededeling: de dag begint. Toch denk ik dat die dag echt met zonneschijn begonnen is, anders had Markus het vast anders gezegd, bijvoorbeeld ‘toen het licht werd’ of ‘toen de dag aanbrak’.

Ik ben er ook van overtuigd dat Markus dit detail niet zonder reden noemt. Hij typeert er ook iets van het feestelijke van de Paasmorgen mee.

 In de preek heb ik dit als invalshoek gebruikt, om iets over de betekenis van de opstanding te zeggen. Wat ik verder zeg over de zon die het kruis, het graf en de wereld verlicht, is niet letterlijk bedoeld. Het is een poëtische insteek om iets te kunnen zeggen over de betekenis van de opstanding van Jezus.

Dat Christus (of God) in de Bijbel vaker als ‘zon’ en als ‘licht’ wordt aangeduid, zie je bijvoorbeeld in :
Ps 84:11 Want God, de HEER, is een zon en een schild.
Mal 4:2 Maar voor jullie die ontzag voor mijn naam hebben zal de zon stralend opgaan, de zon die gerechtigheid brengt en genezing in haar vleugels draagt.
Joh 1:9  Het ware licht, dat ieder mens verlicht en naar de wereld kwam.
Joh 8:12  Jezus zei: ‘Ik ben het licht voor de wereld. Wie mij volgt loopt nooit meer in de duisternis, maar heeft licht dat leven geeft.’
Mt 17:2  Voor hun ogen veranderde hij van gedaante, zijn gezicht straalde als de zon en zijn kleren werden wit als het licht.
Efe 5:14  Daarom staat er: ‘Ontwaak uit uw slaap, sta op uit de dood, en Christus zal over u stralen.’
Opb 1:16 Zijn gezicht schitterde als de felle zon.

 

 

Heeft Jezus het tempelplein twee keer op de kop gezet?

Vraag:

De tempelreiniging wordt in alle vier evangeliën beschreven (Mat.21, Mark.11, Luk.19 en Joh.2). Maar het verhaal van Johannes wijkt erg af van de andere drie. Hoe moet je dat zien? Heeft Jezus dit twee keer gedaan?

Reactie:

Inderdaad wijkt de beschrijving van Johannes behoorlijk af van de andere evangelisten: Hij spreekt van het verdrijven van de handelaren en het vee. In de andere evangeliën wordt het vee niet genoemd, maar de klanten weer wel. Johannes vertelt dat Jezus spreekt over de tempel als markt. In de andere evangeliën noemt Jezus de tempel een rovershol. Johannes noteert de bekende uitspraak van Jezus over zijn lichaam als tempel. En vooral: Johannes plaatst dit aan het begin van Jezus’ optreden, terwijl het in de andere evangeliën heel duidelijk in de laatste week plaatsvindt.

Er zijn twee oplossingen denkbaar:

  1. Johannes heeft de gebeurtenissen vrij verteld en in zijn verhaal een andere plek gegeven. Je moet zijn evangelie niet chronologisch lezen. Het gaat om zijn interpretatie van de gebeurtenissen.
  2. Er zijn twee momenten geweest waarin Jezus het tempelplein heeft leeggeveegd.

Oplossing 1 is niet onmogelijk. Het bezwaar is echter dat Johannes meestal precies is in de datering van de gebeurtenissen. Bovendien ontbreekt de bijzondere sfeer van de laatste week waarin de andere evangelisten dit verhaal vertellen. Het gevolg van deze oplossing is, dat we Johannes minder serieus nemen in de betrouwbaarheid van zijn verhaal.

Oplossing 2 lijkt in eerste instantie onwaarschijnlijk: Jezus zal toch niet twee keer het tempelplein leeggeveegd hebben? Toch is het wel denkbaar dat Jezus aan het begin van zijn optreden een duidelijk signaal gaf over zijn opdracht en aan het einde van zijn optreden iets van Gods oordeel liet merken over de onvruchtbare tempeldienst.

Ik voel zelf het meest voor oplossing 2. Bij het voorbereiden van een preek concentreer ik mij altijd op hoe een evangelist het zelf vertelt, waarbij ik gegevens uit de andere evangeliën uiteraard wel bekijk. Maar in een preek zal ik me niet richten op vergelijkingen of verschillen, maar proberen de strekking van het bijbelverhaal zelf naar voren te brengen.

Is God alleen trouw aan wie Hem vrezen?

Vraag:

In de nieuwjaarsdienst ging het over de trouw van God (bij Psalm 103:17). Je gaf dat mooi inhoud met de uitwerking van ‘Gods vriendschap’. Maar in deze psalm lijkt het erop dat deze vriendschap van God alleen van toepassing is op wie Hem vrezen. Kortom: is de trouw van de Here afhankelijk van onze eerbied voor Hem?

 Reactie:

Als je het zo scherp stelt is het antwoord ‘nee’. Gods trouw is niet afhankelijk van ons geloof. Zo sterk en goed is ons geloof niet. Bovendien komt zelfs ons ontzag voor God niet uit onszelf voort, maar wordt het door Gods Geest gewerkt.

Het probleem is echter, dat je deze psalm (en ook andere teksten) niet zomaar in dit scherpe dilemma kunt drukken. Deze psalm gaat niet over de vraag aan wie God wel of niet trouw is en wat dat dan betekent. Deze psalm schetst ons de HEER die – tegenstelling tot de kwetsbaarheid en schuld van de mens – liefdevol en trouw is. Zijn trouw duurt langer dan ons leven op aarde! Onder deze belofte leeft een mens die God vreest (wat in deze psalm wordt ingevuld met het bewaken van het verbond, het leven naar Gods geboden en het prijzen van de HEER). Gods belofte van trouw roept ook onze toewijding en geloof op.

Er ligt in de verbondenheid tussen God en mensen altijd een wonderlijke samengaan van Gods initiatief en gezamenlijke verantwoordelijkheid. God zoekt het contact en reageert in liefde op mensen die hem zoeken. Hij laat hen niet vallen als ze in zonde vallen of Hem tekort doen. Tegelijk wordt de relatie niet hersteld zonder verootmoediging en vergeving in Christus. Het beeld van een sterke vriendschap geeft volgens mij een mooi perspectief op de trouw van God. De relatie tussen God en mensen bestaat niet uit formele rechten en plichten, met een automatisch verlopend mechanisme van actie en reactie. De HEER verbindt zich aan mensen en gaat binnen dat verbond een samenleven aan van liefde en wederzijdse toewijding. Dat dit niet vanzelfspreekt, is duidelijk. Dat dit ook niet automatisch goed blijft gaan, is ook duidelijk. Het vraagt om onze eerbied en trouw.

 

Liep Gabriël door de straten van Nazaret?

Vraag:

U zei in uw adventspreek dat de engel Gabriël ‘door de straten van Nazaret liep en het huisje van Maria binnenging’. Maar dat staat toch nergens? Voegt u dan niet iets van uzelf toe aan het bijbelverhaal?

Reactie:

Bij het eerste bericht dat Gabriël moet brengen bij Zacharias staat: ‘opeens verscheen hem een engel van de Heer aan de rechterkant van het reukofferaltaar’ (Luk.1:11). Maar bij het tweede bericht staat eerst dat God de engel naar de stad Nazaret zond (Luk.1:26) en vervolgens dat Gabriël ‘het huis van Maria binnenging’ (Luk.1:28). Nu kan een engel natuurlijk op verschillende manieren een huis binnengaan. Toch roept deze woordkeus het beeld op dat de engel gewoon door de deur binnenloopt. Ik vond dat opvallend. Om het verschil te benadrukken zei ik: ‘Deze engel verschijnt niet ineens, maar loopt door de straten van Nazaret en gaat het huisje binnen waar Maria is.’ Wellicht is dit een iets ander beeld van een engel, dan wij gewoonlijk hebben. Dat gebeurt wel vaker. Zo staat bij deze verschijningen bijvoorbeeld ook niet dat de engel stralend wit was en vleugels had. Het wordt zo wel afgebeeld op schilderijen en kinderbijbelplaten. Zeker bij deze verschijning van Gabriël aan Maria vraag ik me af of hij zo’n stralende verschijning was. Dit is inderdaad mijn invulling. Met mijn suggestie dat de engel door de straten van Nazaret loopt, heb ik geprobeerd om de Bijbeltekst recht te doen. Ik werd hierop overigens geattendeerd door de opmerkingen van prof. dr. J. van Bruggen in zijn commentaar op Lukas.

Is Jezus de eerste mens in de hemel?

Vraag:

In uw preek over zondag 18 zei u heel stellig: Met Jezus is de eerste mens met een lichaam de hemel binnengekomen. Maar hoe zit het dan met Henoch, Mozes en Elia uit het Oude Testament? In de Bijbel lezen we toch dat zij door de Heer werden opgenomen zonder te sterven? Zijn hun lichamen dan niet in de hemel?

Reactie:

Leuk, zo’n oplettende vraag! Ik baseer mijn stelling op de uitspraken uit de Bijbel dat Jezus de ‘eerstgeborene van de doden’ wordt genoemd (Openb.1:5, Kol.1:18, 1 Kor.15:20, Hand.26:23), waarbij ‘eerste’ niet alleen de ‘belangrijkste’ kan betekenen. Verder wordt in Hebreeën meermalen van Jezus gezegd dat hij de hemel is doorgegaan tot de troon van de Vader (Heb.1:6, 4:14; 6:20; 8:1; 9:24). Verder baseerde ik mij op de zin uit de Heidelbergse Catechismus dat wij ‘in Jezus ons vlees in de hemel hebben tot een onderpand’ (HC v/a 49, met verwijzing naar Joh.14:2-3; Joh.17:24). Deze uitspraken zijn alleen over Jezus te doen en niet over iemand anders.

We weten uit de Bijbel dat er vóór Jezus ook mensen uit de dood zijn opgewekt: drie personen uit het OT, drie personen door Jezus, plus de mensen die bij het sterven van Jezus weer uit hun graven kwamen (Mat.27:52). Zij kwamen echter weer ‘terug’ op aarde en zullen vroeg of laat opnieuw gestorven zijn.

Daarnaast zijn er de genoemde voorbeelden van mensen die de dood overgeslagen lijken te hebben. Dat geldt trouwens niet voor Mozes: In Deut.34:5-6 staat dat hij stierf en dat zijn lichaam door de Heer werd begraven. Van Henoch lezen we dat de Heer hem wegnam (Gen.5:24), zelfs dat hiet hoefde te sterven (Heb.11:5). Van Elia lezen we dat hij door een wagen met paarden van vuur werd meegevoerd naar de hemel (2 Kon.2:11) en dat mensen, ondanks een zoektocht, zijn lichaam niet konden vinden. Henoch en Elia hebben zijn dus niet gestorven zoals dat voor alle mensen geldt.

Waar de lichamen van Henoch en Elia zijn, is onduidelijk. Joodse en christelijke theologen hebben er veel theorieën over ontwikkeld. In ieder geval hebben Henoch en Elia niet het nieuwe, verheerlijkte lichaam dat Jezus na zijn opstanding had. Jezus is de enige die aan de andere kant van de dood weer is opgestaan en daarin een verheerlijkt en onvergankelijk lichaam heeft gekregen (vgl. 1 Kor.15:53-54) als belofte van onze lichamelijke opstanding (zie HC v/a 57).

Op grond van deze overwegingen stelde ik dat Jezus als eerste mens met een lichaam de hemel is doorgegaan tot de troon van God. Hij had daartoe ook het recht door zijn overwinning. De vraag naar de lichamen van Henoch en Elia kan ik op grond van de Bijbel niet beantwoorden. Maar zij zijn Jezus niet voorgegaan en zullen naar mijn overtuiging voor de verheerlijking van hun lichaam ook moeten wachten op de jongste dag.

Geen ongelijk span met ongelovigen (2 Kor.6:14)?

Vraag:
Wat is de betekenis van 2 Kor.6:14-18 (‘Vorm geen ongelijk span met ongelovigen.’)? Betekent dit bijvoorbeeld dat je als christen-jongere geen lid kunt zijn van een niet-christelijke voetbalvereniging en dat je zo weinig mogelijk moet samenwerken met ongelovigen?

Reactie:
De uitleg van 2 Kor.6 (‘loop niet in een en hetzelfde span met ongelovigen’) begint bij de hoofdlijn van het betoog van Paulus. In het eerste hoofddeel van de brief (2:14-7:4) belicht Paulus zijn apostelschap. Zijn relatie tot de gemeente in Korinte was verstoord. Hij sluit dit gedeelte af met een aantal opmerkingen over de wederkerige betrokkenheid tussen de Korintiërs en hemzelf (6:11-7:4).
Paulus merkt op dat hij een groot hart heeft voor de gemeenteleden, maar dat zij juist enghartig zijn naar hem (6:11-13). Hij ziet dat als oorzaak van de verstoorde relatie. Daarna waarschuwt Paulus scherp voor het vormen van een ongelijk span. De beeldspraak is bekend uit Lev.19 mbt het inzetten van dieren in de akkerbouw. Paulus gebruikt het hier overdrachtelijk. De vraag is wie hier met ‘ongelovigen’ worden bedoeld.
Er bestaat een uitleg die onder ‘ongelovigen’ alle niet-christenen verstaat. De conclusie zou dan moeten zijn dat gelovigen zo weinig mogelijk met niet-christenen zouden moeten samenwerken. Een oproep om zich te isoleren van de maatschappij is echter niet in overeenstemming met wat Paulus elders schrijft (1 Kor.5:10; 7:12-14; 10:27). Het past ook niet in de lijn van de brief en verklaart niet de heftigheid van zijn waarschuwing. Wanneer toch de uitleg wordt gevolgd dat ‘ongelovigen’ alle niet-christenen zijn, is het de vraag wanneer er sprake is van een ‘span’: een structurele verbinding van zaken die niet samen kunnen gaan. Mijns inziens gaat dit niet op voor een sportvereniging.
Een betere verklaring is, dat Paulus hier doelt op zijn niet-christelijke opponenten, die de gemeente tegen hem hebben opgezet. Deze opponenten komen in de hele brief voor (zie 11:4; 13-15; 23). Ook in 4:4 worden met ‘ongelovigen’ de opponenten van Paulus bedoeld. Deze mensen zijn bekend als zg. ‘sofisten’: rondtrekkende wijsheidsleraars die niet in Christus geloven, maar zich wel als ‘gelovigen’ presenteren. De vermaning van Paulus krijgt zo een heel duidelijk profiel in het geheel van de brief: geef geen gehoor aan zogenaamde gelovigen die verdeeldheid in de gemeente zaaien en de prediking van het evangelie door Paulus onmogelijk maken. De gemeente moet beseffen dat zij zelf de tempel van Christus is, en daarom niet afhankelijk is van menselijke wijsheid en slimme redeneringen. Alleen wie bij de Heer blijft, mag leven in zijn nabijheid.
In de overwegingen in hoeverre samenwerking mogelijk is met ongelovigen, spelen ook nog andere argumenten een rol. Een christen is geroepen om de vrede van de stad te dienen (1 Pet.3), maar moet zichzelf ook onbesmet van de wereld bewaren (Jak.1). Uit 2 Kor.6 kan niet de conclusie worden getrokken dat (kinderen van) christenen niet deel zouden mogen nemen aan een niet-christelijke sportvereniging. Andere motieven verdienen hierin wel overweging: – het ontwikkelen van talenten en verlangens; – de plaats van ontspanning en hobby in het leven; – de cultuur en sfeer binnen een sportvereni-ging; – de kosten in tijd en geld. Een verbod is minder vruchtbaar dan een goede begeleiding en betrokkenheid van ouders of zelfs medewerking als vrijwilliger.